Joaquin Sabina (1947) is dichter-zanger. In Spanje en Zuid-Amerika is hij een ijkpunt; je hebt muziek die tijdelijk gewaardeerd wordt, en je hebt muziek waar mensen, generaties, zich mee identificeren of zich aan laven. Die laatste categorie bevinden zich de muziek -en de teksten- van Joaquin Sabina. Tijdens zijn optredens zingen massa’s mensen zijn gelaagde, poëziegerichte teksten moeiteloos uit hun hoofd mee. Spanje is een land en cultuur waar de poëzie er nog toe doet.

De schrijver Benjamin Prado zei ooit: ‘Als ik de publiciteitsmanager van Sabina was zou ik zijn teksten en liederen verkopen als een wondermedicijn; ze lessen de dorst, scherpen het zicht, beroeren het bewustzijn, ze ontraadselen het hart en verwarmen de ziel.’ Voor wie onbekend is met Sabina’s muziek zou je in een oppervlakkige vergelijking kunnen zeggen dat hij verwant is aan Dylan, Tom Waits, of Jaques Brel. Maar Sabina is in de eerste plaats alleen Joaquin Sabina, met een publiek van rond de twintig miljoen mensen in Spanje, Argentinië, Peru, Cuba en Mexico.

Hij was, als veel popdichters, niet zuinig op zijn gezondheid. Hij rookt, drinkt, en was tot een aantal jaren geleden een fervent liefhebber van de cocaďne; zijn liefde huist in zijn teksten en zijn muziek, niet in het bewaken van een gezond lichaam. Een hersenbloeding in 2001 deed hem terug op aarde belanden. Na een ‘zwarte depressie’, zoals hij het zelf noemde, van drie jaar, keerde hij vorig jaar terug onder de levenden met een nieuwe plaat; Alivio de Luto (‘Rouwtoevlucht’). Het dilemma van elke maker is tegelijkertijd herinnerd en vergeten te willen worden. Op 19 Dagen en 500 Nachten uit 1999, leek het alsof hij een kleine catastrofe voorvoelde.

Sabina heeft een natuurlijke hang naar rebellie; hij raakt de zwakke plekken van de burgerlijke, aandoenlijke en doortrapte mens. Hij prikt de valse romantiek door, maar is een doorgewinterde romanticus. Vele liefdes mislukten, maar hij zingt onvermoeibaar over de liefde. ’De liefde is een prachtige leugen’, zei hij eens.

Joaquin Sabina is niet alleen een verwoed en controversieel aficionado van het stierenvechter –hij wilde het als kind worden en definieert zichzelf graag in die termen. Hij schreef een serie sonnetten over Jose Tomas, een stierenvechter die in de jaren negentig een kleine revolutie in het stierengevecht teweegbracht. Wat Sabina mogelijk met hem gemeen heeft is zijn filosofie over het ‘vak’; ‘Je moet minstens zeven keer per jaar bereid zijn in de arena te sterven.'